 |
|
Conservatie
..................................................................................................................................
Introductie | Bedreigingen | Oplossingen | Wat
kan U doen?
Logging
De orang-oetans hebben specifieke habitateisen en zijn
bijzonder kwetsbaar voor langdurig verlies, degradatie en fragmentatie
van bossen in Zuidoost-Azië.
Men moet zich realiseren dat sommige bomen die gekapt worden de belangrijkste
voedselbron van orang-oetans zijn. Zelfs geselecteerd kappen leidt tot
een verminderde orang-oetandichtheid in gekapt bos (zie Rao en van Schaik,
1999) bovendien beïnvloedt het kappen hun gedrag; de orang-oetans
rusten minder vaak en minder lang, de orang-oetans reizen langer en hun
voedperiodes worden korter.
De meest essentiële primaire gevolgen
op lange termijn van houtkap zijn (1) de verstoring van het water toe-
en afvoer van het gebied en
(2) de blootstelling van grond aan de wisselvalligheden van het klimaat
(vooral hogere straling/hitte).
De secundaire gevolgen van houtkap zijn meestal veel ingrijpender:
1. Branden: er wordt jaarlijks, tijdens het droge seizoen stukken bos
afgebrand voor vruchtbare grond. Deze zijn vervolgens niet te beheersen,
waardoor er grote stukken bos zinloos verdwijnen. Tijdens de droogte
van 1997-1998 is minstens 50.000 km2 bos verloren gegaan in alleen Borneo.
Het economische verlies als gevolg hiervan was tussen 26 miljoen tot
6 miljard dollars (Int.- Herald Tribune 20 April 1998). Al het aangetaste
bos was het leefgebied van de orang-oetans.
2. Daarnaast worden de gebieden, onaangetast door de branden, drastisch
beïnvloed. Alle bomen op aangrenzende gebieden sterven wegens (hitte)
straling en versnelde opdroging.
3. De giftige smog die door branden vrijkomt veroorzaakt aanzienlijke
gevaren voor de gezondheid (van orang-oetans, maar ook mensen) over heel
Zuidoost-Azië. De gebruikelijke pogingen om symptomen te behandelen
(de opleiding van en het uitrusten van brigades) hebben geen effect behalve
de verspilling van geld en middelen.
Door het lawaai tijdens (illegale)
houtkap vluchten de orang-oetans naar andere gebieden. De plaatselijke
(residente) orang-oetans - tegengesteld
aan zwervers - proberen echter vaak te blijven zitten en worden als gevolg
hiervan waarschijnlijk gedood tijdens de val van de boom.
De studie van Rijksen en Meijaard (1999) wijst erop dat deze verstoring
vaak wordt verergerd door de illegale jacht of opzettelijke mishandeling
van elke aap die ontdekt wordt door de houtkappers: de aap wordt dan
achtervolgd, in het nauw gedreven en geïsoleerd in een boom die
dan wordt gekapt. Als de orang-oetan het neerstorten tegen de grond overleeft,
wordt hij meestal dood geslagen. Als het een volwassen individu is wordt
het gegeten, en als het een jong dier is wordt het levend gevangen en
gebruikt voor vermaak of als huisdier verkocht.
Dit soort wangedrag van houtkappers zou eenvoudig voorkomen moeten worden,
door de houtkapbedrijven aan te sporen om kwelling van wilde apen te
straffen en om genoeg eiwitrijke voeding aan de arbeiders mee te geven
tijdens het kappen. Houtkappers zijn soms van mening dat de dichtheid
van orang-oetans toeneemt vanwege de toename van “longcalls” als
gevolg van het geluid van de vallende bomen. Maar wat er eigenlijk gebeurt,
is dat de orang-oetans naar het gebied van hun buren vluchten waardoor
de orang-oetandichtheid in de stukken onaangetast bos veel hoger ligt
dan normaal.
De confrontatie van geïmmigreerde dominante mannetjes orang-oetans
tussen elkaar en/of lokale dominante mannetjes veroorzaakt vaak grote
verwondingen bij de mannetjes die tot dood kunnen leiden. Dergelijke
verplaatsing van orang-oetans kan een "schokgolf" van vluchtelingen
veroorzaken, wat vervolgens invloed heeft op de omringende populatie
en op het vermogen van de binnengevallen habitat. Deze situatie leidt
over het algemeen tot verhongering (zie bv. Hardin ' 68 en Catton ' 80).
Naast fragmentatie van het bos, leidt houtkappen ertoe dat de orang-oetans
kwetsbaarder worden voor predatie (Skopuara in Johns 1985). Daarnaast
kan het ook de gevoeligheid voor ziektes in de dieren beïnvloeden
(algemene afname van de fysieke gezondheid) en kan het tot hogere kans
op infecties leiden door een verhoogd voorkomen van parasieten en ziekten.
Jagen en Stropen
De jacht op orang-oetans voor onderhoud en/of godsdienstige
doeleinden vindt nog altijd plaats. Op Borneo en Sumatra staan stammen
erom bekend
dat ze op de dieren jagen en van de Dayaks (Borneaanse stam) is het al
lang bekend (1911) dat orang-oetanvlees een lekkernij is voor ze. Zoals
beschreven door Dammermen (1937), jagen Dayaks gewoonlijk met een blaaspijp
met giftige pijltjes die een dodelijk mengsel bevatten van het sap van
de boom Antiaris toxicaria en de liaan Strychnos ignatii. Ironisch genoeg
zijn de vruchten van deze dodelijke soorten favoriete voedselsoorten
van de orang-oetans. De Dayakpijltjes heeft een efficiënt uitroeiende
invloed op de bevolking van orang-oetans, want het jachtsucces gaat tot
90% bij het gebruik van deze techniek.
|