 |
|
Orang-oetans
..................................................................................................................................
Introductie | Habitat | Gedrag |
Ontwikkeling
Leefomgeving
Orang-oetans leven in de primaire en secundaire tropische regenwouden
van Zuid Oost Azië, op de eilanden Sumatra en Borneo. De jaarlijkse
hoeveelheid neerslag op deze eilanden varieert van gemiddeld 3000mm (Sumatra)
tot 4300mm (Borneo). De temperatuur op beide eilanden komt aardig overeen
(Sumatra: 17-34,2°C; Borneo: 18-37,5°C), evenals de vochtigheid
(op beide eilanden tegen de 100%).
De orang-oetans leven in laagland moeras gebieden, maar ook in meer
bergachtige gebieden. Ze leven daar in zogenaamde turfmoerasbossen en
dipterocarp bossen. Turfmoerasbossen zijn te vinden langs de kustlijn
en meer landinwaarts langs de grote rivieren. Dipterocarp bossen bevinden
zich op het vaste land net boven zeeniveau tot aan hoogtes van 900 meter.
De dipterocarp bossen worden gekenmerkt door het feit dat de meeste bomen
in het bos tot een plantenfamilie behoren, bekend onder de naam Dipterocarpaceae.
Deze bomen zijn zeer gewild voor houtkap, evenals de Ramin bomen (Gonystylus
bancanus) in de turfmoerasbossen.
De hoogste dichtheden aan orang-oetans zijn te vinden in gebieden met
een gemixt bostype, die voor grote hoeveelheden voedsel door het hele
jaar heen zorgen. Een voorbeeld van zo’n bostype zijn de laagland
moerasbossen. Turfmoerasbossen ondersteunen gemiddelde orang-oetan dichtheden.
In dipterocarp bossen is de aanwezigheid van fruit van seizoen tot seizoen
en jaar tot jaar extreem variabel. Alleen lage dichtheden orang-oetans
kunnen hier voorkomen.
Sumatra bestaat uit laagland moerassen en uitgestrekte
bergachtige gebieden oplopend tot 1500 meter hoogte. De orang-oetans
van Sumatra bevinden
zich vooral in de laagland dipterocarp bossen en (turf)moeras bossen.
In de hoger gelegen bosrijke gebieden leven veel kleinere populaties
orang-oetans, omdat ook de diversiteit aan boomsoorten en dus de hoeveelheid
voedsel lager is. De dipterocarp bossen van Sumatra zijn erg beroemd
dankzij de “mast fruiting” zo’n eenmaal in de 2 tot
10 jaar. (Wanneer er in een jaar geen “mast fruiting” plaatsvindt
is er nog wel een jaarlijkse fruitpiek.) “Mast fruiting” is
een verschijnsel waarbij heel veel boomsoorten tegelijkertijd vruchten
produceren zonder dat daar een seizoensgebonden verandering in temperatuur
of hoeveelheid neerslag aan vooraf gaat. Gedurende deze tijd, eten de
orang-oetans meer dan ze dagelijks aan calorieën nodig hebben en
dit zetten ze dan om naar vetreserves. Deze eigenschap verklaart ook
waarom orang-oetans in gevangenschap vaak een neiging hebben tot overgewicht.
Borneo
bestaat voornamelijk uit turf moeras en dipterocarp bossen. De orang-oetans
op Borneo bevinden zich in bijna alle bosrijke gebieden
van Borneo. Dit ondanks het feit dat ze nooit gezien zijn op hoogtes
boven de 1000 meter.
Predatoren
Op Sumatra zijn er een aantal dieren die een gevaar kunnen zijn voor
de orang-oetan. De jonge orang-oetans lopen het meeste gevaar. Mogelijke
roofdieren zijn tijgers, luipaarden en slangen, maar tijgers vormen toch
wel de grootste bedreiging. Luipaarden kunnen adolescenten en kleine
volwassen vrouwtjes doden, het doden van volwassen mannen is niet bekend.
De aanwezigheid van roofdieren is waarschijnlijk de reden dat Sumatraanse
orang-oetans zelden op de grond te vinden zijn.
De Borneose orang-oetan loopt een aanzienlijk kleinere kans om door een
roofdier gepakt te worden omdat tijgers daar niet voorkomen. Hier zijn
het vooral de luipaard en python die de grootste bedreiging vormen.
|